Loading...
Kinderverhalen

Elsje Elf

De wereld van elf Elsje.

 

Ergens ver weg van alle dorpen en steden, diep in het bos verstopt, was een wonderlijk land. Het was het land van de boselfen. Al jaren leefden ze samen in harmonie en bleven ze binnen de muren waar het veilig was.

Het bijzondere van deze elfjes was dat ze vleugels hadden, maar deze niet gebruikten. Ze hadden ze niet nodig. In Elfenland was alles zo gebouwd dat je overal kon komen zonder te hoeven vliegen. Ladders, hangbruggen, liften, ja zelfs lianen om naar een andere boom te zweven, wat vooral de allerkleinsten elfjes leuk vonden om te doen.

 

Midden in het land zat een klein elfje op een kastanje met de handen onder haar kinnetje diep na te denken. Haar naam was Elsje. Iedereen om haar heen was zo druk bezig dat ze niet in de gaten hadden dat Elsje in haar eigen wereld zat, in gedachten was ze ver weg. Veel verder weg dan de veilige haven van Elfenland. Afgelopen dagen had ze langs de houten omheining  gelopen, zich afvragend hoe het was aan de andere kant van de muur. Ze keek naar de blauwe lucht en zag overdag de vogels overvliegen. ’s Nachts keek ze uit haar raampje naar de maan en de sterren en vroeg zich af wie die nog meer zagen.

 

Haar was verteld dat de wereld buiten de muur niet veilig was. Bovendien hadden ze toch alles hier in Elfenland, dus waarom zou je verlangen naar iets wat je niet weet. Maar Elsje bleef maar nieuwsgierig en verlangen naar de andere wereld. Natuurlijk had ze alles hier in Elfenland. Haar ouders, opa’s en oma, vrienden. Er was genoeg om mee te spelen en er was nooit ruzie. En toch verveelde ze zich meer en meer. Daarom wilde ze zo graag over de muur.

“Mama, waarom mogen wij niet buiten de muur?”, vroeg Elsje aan haar moeder.

“Omdat het aan de andere kant niet veilig is, liefje”, antwoordde moeder.

“Hoe weet je dat dan moeder? Ben je er ooit geweest?”

“Nee, schat, maar dat is wat de elfenkoningin ons heeft verteld”.

“Is de elfenkoningin er dan geweest mama?”

“Dat weet ik niet, liefje, maar ik denk het wel, anders zou ze het niet weten”.

“Ik wil zo graag aan de andere kant kijken mama”.

“Dat kan echt niet, kind, en bovendien, we zijn hier toch gelukkig?”

“Maar mama, ik verveel me zo. Alles hier in Elfenland ken ik nu wel”.

Tja, daar wist de mama van Elsje ook niets meer op te zeggen. Zij was geboren in Elfenland en wist niet beter.

 

Het verlangen van Elsje om aan de andere kant van de muur te kijken was groot. Zo groot, dat ze, na bijna de hele nacht wakker hebben gelegen, besloot een manier te vinden om over de muur te komen en de wereld met eigen ogen te gaan bekijken. Haar beste kans zouden de lianen zijn. Ze keek om zich heen en zocht een liaan in een hoge boom, die groot genoeg slingerde om haar over de muur te zwaaien. De volgende nacht toen iedereen sliep, kroop ze haar bed uit en ging naar de liaan.

Hoog in de boom keek ze uit over Elfenland in het zachte schijnsel van de maan en de sterren. Even twijfelde ze nog, maar toen greep ze de liaan en met een grote zwaai zwiepte ze over de muur heen naar een boom aan de andere kant van de muur.

 

Daar stond ze dan, midden in de nacht en alleen. Ze voelde zich opgewonden over het avontuur wat ze tegemoet ging. Elsje klom de boom naar beneden en op de grond begon ze te lopen. Het was haar al tijden opgevallen dat er vanaf de andere kant een zacht geruis was en als eerste wilde ze weten wat dat was. Na een poos te hebben gelopen was ze moe en besloot op een zacht bedje van mos te gaan slapen. Als deken gebruikte je een groot kastanje blad. Al snel viel ze in slaap.

 

In de ochtend schrok ze met een gilletje wakker van iets zachts op haar wang. Het was een muisje dat nieuwsgierig naar haar toe was gekomen. Het muisje was weer geschrokken van Elsje. Het muisje had zoiets als Elsje nog nooit gezien en Elsje had zoiets als het muisje nog nooit gezien.

Ze renden allebei snel weg en verstopten zich onder een stapel bladeren. Elsje begreep dat het muisje ook bang voor haar was en daarom zou het haar vast geen kwaad doen. Voorzichtig kroop ze onder de stapel bladeren vandaan.

 

“Uhhh, zacht harig ding”, riep ze zachtjes, “wie ben je?”.

Het muisje stak haar neusje onder een blad vandaan, nog steeds wat bang.

“Ik doe je niets, hoor”, zei Elsje, “ik wil alleen maar graag even met je praten”.

Nu durfde het muisje onder de bladeren vandaan te komen en liep langzaam naar Elsje toe.

“Ik heet Pien”, zei het muisje.

“Wat voor iets ben je?”, vroeg Elsje.

“Ik ben een muisje en wat ben jij?”

“Ik ben een elfje”.

“Wauw, een elfje? Ik heb nog nooit een elfje gezien, ik heb wel over ze gehoord, maar nog nooit gezien, wauw, een echt elfje, hier staat zomaar een heel echt elfje!”, ratelde Pien achter elkaar door.

“Ik heb nog nooit een muisje gezien”, zei Elsje sip, “en ik had ook nog nooit van ze gehoord”.

“Wat doe je hier, Elsje?” vroeg Pien.

“Ik ben op avontuur. Ik wilde weten hoe de wereld eruit zag en jij bent het eerste nieuwe ding wat ik tegen ben gekomen”. Else leefde op. “Ik ben blij dat ik je ben tegengekomen, want jij lijkt me helemaal niet zo onveilig!”

“Ben je gek”, lachte Pien, “ik doe niets hoor!”.

“Zeg Pien, zou je me dingen willen laten zien en willen leren over deze wereld?” vroeg Elsje.

 

Dat wilde Pien wel. Zo kon ze thuis tenminste zeggen dat ze met een heus elfje op pad was geweest.

Elsje vertelde Pien over Elfenland, hoe het daar was en over waar ze naar verlangde. Ze vertelde dat ze geruis had gehoord en dat ze als eerste daar wel naartoe wilde gaan.

Muis Pien, wist waar Elsje het over had. Het geruis was een rivier die verderop stroomde.

Elsje was opgetogen en ze liepen stevig door, al babbelend over het leven in en buiten Elfenland.

 

Bij de rivier aangekomen keek Elsje haar ogen uit. Jeetje, wat was deze rivier groot en wat stroomde hij hard! In Elfenland hadden ze een klein beekje waar ze water uit haalden, niets in vergelijking met dit woeste water.

“Hoe kom je nu naar de overkant”, vroeg Elsje aan Pien.

Pien haalde haar schoudertjes op. “Dat weet ik niet, mijn leven is aan deze kant van de rivier”.

“Ben je niet nieuwsgierig naar wat er aan de andere kant van de rivier is?

Pien dacht na en eigenlijk was ze dat wel.

“Nu je het zegt, eigenlijk ben ik dat wel!” Piens oogjes begonnen te glinsteren.

 

Els en Pien gingen zitten op een boomstronk en dachten na over hoe ze over deze rivier konden komen. Vliegen kon Elsje natuurlijk niet, want dat had ze nooit geleerd. Zwemmen kon ze wel, maar daar leek het water haar te hard voor gaan. Tijdens hun nadenken speelden ze een beetje met takjes en steentjes die ze in het water gooiden.

Plots keken ze elkaar tegelijk aan, dat was het! Steentjes zonken, maar takjes bleven drijven!

De boomstronk waarop ze zaten was groot genoeg om op te zitten.

Met z’n tweeën duwde ze met alle kracht tegen de boomstronk aan en die rolde zo het water in. Zonder na te denken sprongen ze erop.

Gelukt! Ze dreven met de stroom mee de rivier af. Pien en Elsje keken vol bewondering naar alles wat ze op hun drijftochtje zagen. Vooral Pien kon van alles aan Elsje uitleggen. Dat waren bevers die daar een dam bouwden, daar hamerde een specht op de boom en dat dier daar was een vos. “Die is wel heeeel gevaarlijk”, zei Pien en ze bibberde.

 

Plotseling werd het geruis harder en harder. Pien was nog nooit zo ver geweest en wist niet wat dat geluid was. De rivier begon sneller en sneller te stromen en de twee vriendjes werden nu toch wel erg bang. Ze keken voor zich uit en in de verte leek het wel of het water stopte! Oh nee! Ze probeerde uit alle macht weer naar de kant te peddelen met hun handjes en pootjes, maar het water was veel sterker dan zij. Nog maar een paar meter en dan hield het water op! Pien en Elsje begonnen te gillen en grepen elkaar stevig vast. De boomstronk viel over het rand naar beneden. Ze gilden nu nog harder. En toen gebeurde er iets. In paniek sloeg Elsje haar vleugeltjes uit. Ze begon te wapperen en merkte dat ze, terwijl ze Pien nog vasthield, weer naar boven vloog. Rustig vloog Elsje met Pien in haar armen naar de kant en ze landden zachtjes in het gras.

 

Moe en geschrokken lagen ze daar bij te komen.

“Wat ontzettend goed van je, Elsje, dat je ging vliegen!”

“Ik wist niet dat ik dat kon, ik heb het nooit geleerd”, zei Elsje verbaasd.

“Maar je wist het in ieder geval op het moment dat het echt nodig was”. Pien keek haar vol bewondering aan.

Elsje glimlachte, “ja, gelukkig net op tijd”.

Ze knuffelden elkaar en nadat ze wat waren uitgerust begonnen ze weer langs de rivier terug te lopen.

Bij de boom waar Elsje en Pien elkaar hadden ontmoet namen ze afscheid en beloofden elkaar snel weer te gaan bezoeken.

 

Elsje zwaaide weer terug met de liaan naar Elfenland. Iedereen was in rep en roer toen de mama van Elsje haar bedje leeg had aangetroffen.

Toen ze Elsje aan zagen komen zwaaien, riepen ze Elsjes moeder, die meteen naar haar toe rende. Wat was ze blij dat Elsje weer terug was. Elsje vertelde over haar avonturen, de muis, de rivier en hoe ze net op tijd haar vleugels had gebruikt. Haar vriendjes en vriendinnetjes luisterenden met open mond naar haar verhalen.

Alhoewel mama elf eerst boos was op Elsje, werd ze nu toch wel heel trots op haar kleine meid. Net op moment dat het echt nodig was, dat mama elf er niet was om haar te helpen, had Elsje zichzelf geholpen. Net op dat ene belangrijke moment sloeg Elsje voor het eerst zelf haar vleugels uit.